de collectie Van den Bogaerde

door Maurice Wery
(scriptieonderzoek)

naar aanleiding van de lezíng voor de vrijwilligers van Kasteel Heeswijk op 23 april 2009

(geplaatst in het VVKH-nieuws van augustus 2009)

Mijn onderzoek laat zien dat Louis en Albéric van den Bogaerde - een scheiding tussen de broers en hun (deel)collecties valt moeilijk te maken - in ieder geval tijdelijk een rol hebben gespeeld binnen een netwerk van belangrijke Nederlandse verzamelaars en verzamelende instellingen gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw.

Algemeen bekend is dat de collectie topstukken bevatte zoals het Antwerps Lijdensaltaar (nu in de Sint-Jan in Den Bosch; zie ook artikel het Heeswijks altaar) en fragmenten van het Maria-altaar van Van Wesel (nu in collectie Rijksmuseum).  Los van deze topstukken was het echter lastig om een meer algemene indruk te krijgen van de verzameling, buiten wat de veilingcatalogi uit de periode 1896-1901 ons konden vertellen. Ook de 'status' van de Van den Bogaerdes als verzamelaars bleef onduidelijk. Een oorkonde uit het familiearchief maakt echter duidelijk dat Louis in 1867 deelnam aan de
tentoonstelling van oude kunstnijverheid (histoire du travail) die deel uitmaakte van de Wereldtentoonstelling die dat jaar in Parijs werd georganiseerd. De catalogus van deze deeltentoonstelling vertelt veel over de collectie kunstnijverheid - toegespitst op de gebieden aardewerk, zilver (en andere metalen), sculptuur en graveerwerk en interieurobjecten - die Van den Bogaerde in 1867 presenteerde in Parijs. Uit deze beschrijvingen, van de hand van de Amsterdamse kunstkenner D. van der Kellen jr., blijkt dat zijn presentatie aldaar vergelijkbaar was met die van erkende verzamelaars als Van der Kellen zelf, Hermans en Six en de collecties van nationale musea als het Koninklijk Museum in Den Haag en het museum van het Koninklijk Oudheidkundig genootschap in Amsterdam. Op deze tentoonstelling bracht Van den Bogaerde bovendien de omvangrijkste collectie objecten in. Een vergelijking met de presentatie van zijn vijf 'directe concurenten' leert dat er kleine verschillen zijn met de collecties van met name Van der Kellen en Hermans. Deze verschillen bevinden zich op het gebied van Hollands aardewerk (vooral Delfts blauw), middeleeuws religieus zilver en objecten van geelkoper en middeleeuwse sculptuur. Deze gebieden worden namelijk niet door Van den Bogaerde bestreken. Hij onderscheidt zich echter positief ten opzichte van de anderen met zijn enorme collectie ijzerwaar. Wat bovendien opvalt bij het bekijken van de lijst van inzenders is dat veel deelnemers uit de huidige Randstad afkomstig waren. Ook de beschrijvingen in van der Kellens boek 'Nederlands Oudheden' - waarin Van den Bogaerde slechts twee keer genoemd wordt - laten zien dat Van der Kellen vooral beschrijvingen in het westen van het land maakte. Dat Van den Bogaerde woonde in het destijds moeilijk bereikbare Brabant, zal de ontsluiting van zijn verzameling en zijn contact met andere collectioneurs niet ten goede zijn gekomen.

Het is zinvol om Louis' presentatie op de Wereldtentoonstelling te vergelijken met de veilingcatalogi uit het einde van de eeuw. Deze vergelijking leert dat de broers Van den Bogaerde tegen het einde van de eeuw hun achterstand op de drie genoemde gebieden hadden ingelopen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat op basis van concrete beschrijvingen en in direct vergelijk met erkende verzamelaars, de Van den Bogaerdes gekarakteriseerd kunnen worden als verzamelaars die een gelijkwaardige collectie onderhielden, maar die trends volgden die door anderen waren ingezet, in plaats van dat zij zelf pioniers waren. De Van den Bogaerdes verzamelden dus vanuit een visie die in de tweede helft van de negentiende eeuw internationaal was bepaald. Dit bewijst meteen ook dat de broers niet lukraak verzamelden, maar duidelijk opereerden vanuit een verzamelidee.

Enkele vroege brieven onderstrepen bovendien dat er contact bestond tussen Heeswijk en de Amsterdamse familie Van der Kellen van wie David van der Kellen ook gebruik maakte van de collectie Van den Bogaerde bij het samenstellen van zijn 'Nederlands Oudheden' (de versie van 1865-1878). Toch blijkt uit het archief niet dat de heren op de lan-ge duur intensief contact met andere verzamelaars van kunstnijverheid onderhielden. De conclusie, zoals die hierboven al is geschreven - dat de broers met een gelijkwaardige verzameling in leder geval tijdelijk een rol hebben gespeeld binnen een netwerk van belangrijke Nederlandse verzamelaars en verzamelende instellingen gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw - lijkt dus voor nu een plausibele bijdrage aan de discussie omtrent de status van de collectie Van den Bogaerde en de verzamelaars Louis en Albéric van den Bogaerde.

Maurice Wery

naschrift

door Hans Offermans


Maurice vertelde ook nog dat op kasteel Heeswijk de grootste kunstnijverheidscollectie van Nederland was. Jonker Louis was de grootste verzamelaar van de familie en heeft een deel van zijn collectie getoond als exposant op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1867.


Jonker Albéric had bij zijn overlijden een vermogen opgebouwd van anderhalf miljoen gulden, wat erg veel was. Zeker als je weet dat toentertijd het vermogen van het gehele land Suriname maar een miljoen gulden bedroeg.

 

 

foto's:
  • wereldtentoonstelling Parijs - www.schoolbieb.nl
  • Heeswijks altaar - uit: Het Lijdensaltaar in de Sint-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (uitg. van de com. Zomertentoonstelling Sint-Jan 1993, tweede druk)
  • Albéric (= Donat) - uit: Een andere wereld
  • 2 schilderijen - Hans Offermans

terug naar boven

Laatst aangepast (maandag, 12 oktober 2015 15:28)